VERHAAL UIT DE PRAKTIJK: Donorkinderen hebben óók een vader

Het is donderdagmiddag en mijn telefoon gaat. ‘Hallo met Eva!’ hoor ik aan de andere kant. Eva wil graag langskomen met Sammie, haar dochter van vijf. ‘Sammie is de laatste tijd zo in zichzelf gekeerd en ze verveelt zich snel’, zegt ze. ‘Het lijkt alsof ze nergens echt plezier in heeft. Ook haar leerkrachten geven aan dat ze weinig uit haar vingers krijgt. Ze speelt wel met andere kinderen, maar op het schoolplein staat ze vaak alleen. Dan staart ze in de verte. Niemand weet waar ze dan met haar gedachten is. Sammie kijkt niet vrolijk en onbevangen de wereld in, en daar maak ik me zorgen over.’

Eva vertelt kort over haar achtergrond. Dat ze alleenstaande moeder is, en dat Sammie een donorvader heeft. Die noemen ze thuis ‘donor’. Maar ze hebben het er eigenlijk bijna nooit over.

‘En hoe zit het met jóuw vader?’ vraag ik aan Eva. ‘Daar heb ik niet zo’n goede band mee’, zegt ze. ‘Die zie ik al een paar jaar niet meer, ik heb het contact verbroken.’ ‘En Sammie?’ Vraag ik. ‘Die had eigenlijk wel een goede band met hem, maar ook zij ziet hem niet meer’, zegt ze. ‘Omdat jij hem niet meer wil zien?’, vraag ik. ‘Ja’, zegt Eva. ‘Oke, dat snap ik’, zeg ik, ‘en ik geloof ook echt dat je goede redenen hebt om je vader niet meer te zien. Maar klopt het dat je de lijn tussen jouw dochter en haar opa gesloten hebt, zonder dat Sammie daar zelf iets over te zeggen had?’ ‘Ja…’ zegt Eva. Zo had ik het nog niet bekeken.

Zo te horen zit de vaderlijn op slot. De vaderlijke, mannelijke energie kan niet stromen, terwijl die een belangrijke voedingsbron is voor elk kind. De vader staat voor zelfvertrouwen, veiligheid, daadkracht en ambitie in het leven. Daar waar de moeder staat voor zorg, zachtheid, empathie en verbinding vanuit ‘t hart.

In de eerste sessie met Sammie werk ik aan verschillende opdrachten, om te onderzoeken waardoor haar levensenergie lijkt te stokken. Mijn gevoel wordt bevestigd en ik krijg een steeds duidelijk beeld waar de kern van het probleem zit. Sammie tekent of noemt in elke opdracht wel een vaderfiguur. Een vaderfiguur die niet leeft of onbereikbaar lijkt. Van een grote kabouterboom zonder blaadjes, waar je heel fijn in kunt schuilen, tot een IJsbeer die altijd slaapt, maar wel heel fijn is om tegen aan te liggen. Maar je moet wel een hele grote oceaan oversteken met een bootje om bij hem te komen. Sammie mist een vader. En niet alleen Sammie, denk ik. Ook haar moeder mist een vader. Ik vraag Eva de volgende keer met de sessie mee te doen. Ze stemt in.

Een week later zitten we met z’n drieën in de kamer. Ik vertel hen over dat alle kinderen een vader en een moeder hebben. Zo worden we geboren. Alleen niet alle vaders en moeders zijn zichtbaar. ‘Ik heb geen vader hoor’, zegt Sammie, ‘ik heb een donor.’ ‘Ook jij hebt een vader, Sammie’, zeg ik. ‘Alleen is hij niet zichtbaar. Dat is hoe het soms gaat in het leven.’

Ik vraag Eva en Sammie een kussen uit te zoeken voor hun vader en moeder, en in de ruimte neer te leggen. Ik doe hetzelfde. Daar staan we dan, met z’n allen, samen met onze ‘vaders’ en ‘moeders’. Sammie kijkt vol ongeloof. Eerst naar haar moeder, en dan naar mij. ‘Heb ik wel een vader?’ ‘Ja’ zeg ik, ‘alle kinderen op deze wereld hebben een vader. Zichtbaar of onzichtbaar. Geef hem maar een naam’, zeg ik. En ze zegt ze zachtjes ‘papa’. En dan steeds harder. ‘Papa!’. ‘Papa?’ ‘Papa!’ Ik voel wat een ongelooflijke energie er in de ruimte vrij komt.

We sluiten de sessie af met een tekening. ‘Teken allebei maar jullie vader’, zeg ik. Geconcentreerd gaan ze aan de slag. Sammie maakt wel drie tekeningen. Eerst tekent ze woest en wild, dan steeds rustiger. En ze begint erbij te zingen. Ze stelt vragen aan haar moeder. Of ze de naam weet van haar vader. En of ze een foto heeft. ‘Ja’, zegt Eva. ‘Hij heet Simon en hij woont in het buitenland. Een foto heb ik ook.’ ‘Maak thuis maar een mooi doosje’, zeg ik tegen Sammie. ‘Waar je deze tekeningen en een foto van hem in kunt stoppen, of andere dingetjes die met hem te maken hebben.’

‘Mag ik ook een tekening voor opa maken?’ vraagt Sammie ineens aan Eva. ‘Tuurlijk mag dat’, zegt Eva. Ondertussen zoekt ze in haar telefoon naar een foto. Een foto van Sammie op schoot bij haar opa, zo blijkt even later. Bij het weggaan zegt Eva nog iets op zachte toon tegen mij. Dat ze Sammie misschien toch weer eens bij opa gaat langsbrengen.

De volgende dag stuurt Eva mij een berichtje. ‘We hebben allebei sinds tijden enorm lang geslapen! En ik voel een nieuw soort energie, lichter en vrolijker.’ Een paar weken later laat Eva me weten dat het nog steeds goed gaat met Sammie. ‘Ze is vrolijker en meer ‘hier’. Ook op school maakt ze makkelijker contact.’ ‘En’, zegt ze, ‘ik heb een afspraak gemaakt met mijn vader, Sammie gaat volgende week een uurtje bij hem spelen.’